Van Hell, beeldend kunstenaar en musicus

27 juni 2020

Beeldend kunstenaar en musicus 1889 - 1952
De Amsterdammer Johan van Hell is een dubbeltalent van grote kwaliteit en wordt om die reden in het culturele leven gewaardeerd.  Als schilder en klarinettist behoort hij tot de kring van moderne en vernieuwende kunstenaars maar hij maakt zich niet afhankelijk van die kring.
Hij gaat zijn eigen weg. In de schilderkunst ontwikkelt hij bijvoorbeeld een eigen oorspronkelijke stijl. Een gestyleerd realisme waarin, de kleuren, vormen en inhoud elkaar krachtig versterken. Hij laat zich inspireren door het leven dat hij uit eigen ervaring kent: het leven van alle dag van gewone mensen en artiesten dat zich op straten, pleinen en markten afspeelt.

Opleiding
Van Hell volgt zijn opleiding aan de Quelinius school, de Rijksnormaalschool voor leraren en de Rijksacademie voor beeldende kunsten. Hij volgt dit pad met zelfvertrouwen.
Hij geeft al les voordat hij afgestudeerd is. Hij vindt het mooi om te doen en vindt het leraarschap
en een goede opleiding de basis en poort naar ontwikkeling en emancipatie voor iedereen. Hij is een overtuigd sociaaldemocraat.

Van Hell weet waarover hij spreekt. Zijn vader was diamantbewerker en sterft jong. Veel geld is er niet in het gezin maar dat staat een kunstenaarsloopbaan niet in de weg. Hij is al jong aan het werk in het onderwijs, hij heeft een paar heel goede leraren die zijn kwaliteit onderkennen en hij groeit op in Amsterdam, een stad met een bloeiend cultureel leven.
Van Hell tweemal trouwde tweemaal met vrouwen die zijn zielsverwanten zijn. Zij geven geeft hem liefde en een stevige relatie. Zijn eerste vrouw is Pau Wijnman,actief in het vormingswerk, creatief en sociaal geëngageerd, zij overlijdt in 1930. Zijn tweede vrouw Caroline Lankhout, begaafd pianiste, overlijdt in 1947.
Hij trekt zich terug en geeft nog wel les. Ook gratis als mensen het niet kunnen betalen.

De straat op!
De laatste jaren wordt de Johan van Hell herontdekt. Zijn werk wordt verkocht  op veilingen en er worden af en toe overzichtstentoonstellingen van zijn gehele werk gegeven. Ik heb genoten van het werk dat het Museum Arnhem in de collectie heeft.
De tentoonstelling Van de straat in  2005 in dit museum, leverde materiaal voor een prachtig boek. Van Hell, Johan van Hell, schilder en musicus, 3de druk, 2016.

Publieke ruimte
Van Hell is een betrokken buitenstaander. Hij houdt van de publieke ruimtes waar in de jaren 20 van de vorige eeuw steeds meer artiesten verschijnen en buiten optreden om de kost te verdienen. Al is het loon vaak karig. Van Hell schildert dit buitenleven, deze vrijplaats, met liefde en kwaliteit.
Met de jaren komen er steeds meer artiesten uit het Oosten. Vooral Duitse en Oost Europese muzikanten vluchten voor het onderdrukkende Naziregime. Onder hen zijn een groot aantal professionele muzikanten. Ook voor hen zijn de verdiensten slecht.

Van vrijplaats naar beheersing en controle
De tijdsgeest verandert en de economische depressie neemt toe. De reactie van de overheid is beheersen, administreren en controleren. De buitenoptredens in parken en op pleinen worden gereguleerd. Zie de afbeeldingen hiernaast.
De arbeidsomstandigheden van de artiesten worden er niet beter op. De spelers moeten een inschrijfkaart hebben met persoonlijke gegevens, de ambtenaar wijst het recht op een plaats toe, welke plaats en hoe lang. De ontwikkeling gaat sluipenderwijs, de depressie en de armoede nemen toe.

Van Hell en het Concertgebouworkest
Van Hell is gezegend met een dubbeltalent. Naast het schilderen is hij een uitstekende klarinettist.
Zijn leraar Piet Swager, klarinettist van het concertgebouworkest, typeert hem als klarinettist met de fijnste en beschaafdste toon, de universele musicus.
Van Hell combineert zijn talenten zonder moeite: ‘Wanneer ik voor de schildersezel sta, ben ik geheel schilder, en wanneer ik met mijn klarinet achter de lessenaar zit, ben ik geheel musicus.’ Hij is ook leraar en gaat lesgeven als dat nodig is..

in 1915 wordt Van Hell vaste vervanger van het concertgebouworkest onder de wereldberoemde Willem Mengelberg die een sterke voorkeur heeft voor het conservatieve Duitse repertoire.
Van Hell speelt de muziek graag maar zoekt ook meer vrijheid in de moderne muziek. Het is een van de redenen om het aanbod voor een vast contract af te slaan.
Een andere reden is dat hij zijn handen vrij wilde houden voor het schilderen en tekenen.

Van Hell legt zijn werk voor het Concertgebouworkest rond 1927 neer om voor zijn vrouw te gaan zorgen. Zij lijdt aan de ziekte van parkinson en overlijdt in 1930. Een akelige ziekte waaraan ook zijn tweede vrouw in 1947 zal overlijden. 
Hij wijdt zich in de jaren '30 aan het schilderen en brengt de veranderingen in beeld.

Voordat Van Hell afscheid neemt van het Concertgebouworkest schildert hij een prachtig groepsportret waarop zijn leraar Piet Swager geheel rechts met klarinet is afgebeeld. Jaar ca. 1922.

Ruineman en Jan Ingenhoven
Johan van Hell heeft vaker een vast contract aangeboden gekregen bij het concertgebouworkest. Hij wilde dat niet omdat hij zijn vrijheid als kunstenaar en musicus wilde behouden. De ziekte van zijn vrouw was een belangrijke reden om afscheid te nemen.
Van Hell is niet de enige geweest die afgehaakt is. Ruyneman, pianist en componist, vertrok naar Groningen en Parijs vanwege de Franse moderne stijl.
Tot mijn verrassing kom ik nog iemand tegen die een goede bekende is van Van Hell en in de vergetelheid is geraakt. Het is de componist Jan Ingenhoven die naar het buitenland vertrekt.
De website van Frans van Ruth over Jan Ingenhoven is de moeite waard om te lezen en heeft me aan het denken gezet. 
Hieronder een sonate uit 1916-1917 die Ingenhoven schreef voor Ruyneman op piano en Johan Van Hell op klarinet.
In de versie hieronder spelen Frans van Ruth piano en Frank van den Brink klarinet.

Kaalslag in de culturele sector
Van Hell heeft de grote Depressie meegemaakt, waarin de culturele sector grote klappen heeft moeten verwerken door het wegvallen van financiering en door de armoede.
Hoewel het nu geen recessie als toen is krijg de culturele sector ook nu veel te verduren. Het is begonnen onder Halbe Zijlstra en nu is daar de corona-crisis overheen gekomen.

Wanneer we dan kijken naar het advies van de Raad van Cultuur over de 220 subsidieaanvragen van culturele instellingen voor de Culturele Basisinfrastructuur (BIS) 2021-2024 dat op 4 juni is gepubliceerd dan wordt de situatie er niet beter op.
Het advies is 4 juni aangeboden aan minister van Engelshoven (OCW) tijdens een online interview. Er is geen sprake van een herstelplan dat een stevige minder kwetsbare cultuursector tot doel heeft.

De sector laat zich gelukkig horen en is als geen andere sector in staat om tegenslag creatief op te vangen. In een interview op de NPO4/podium hoorde ik Daniel Reuss, de dirigent van Capella Amsterdam aan het woord. Hij zegt wat ik vaker denk, .........   Vanaf 1:30
https://www.nporadio4.nl/podium/uitzendingen/2020-06-10-podium-16

Toch heb ik soms het gevoel dat er op redelijke gronden meer tegenmacht gevormd moet worden. (countervailing power) De balans is volledig zoek.
Hieronder alvast 3 punten die volgens mij aangepakt moeten worden.
De foute toepassing van de basisstructuur, het gebrek aan parlementaire controle en gebrekkige kwaliteit van de bedrijfsvoering van de RvC.

Een basisstructuur is een strategisch ontwerp
Een basisstructuur is een begrip uit de managementwetenschap. Een structuurontwerp kan een grofontwerp zijn, een basisontwerp, of een fijnontwerp. Het onderscheid is belangrijk omdat het door elkaar halen van de ontwerpen veel verwarring geeft en het doel niet bereikt wordt.
De RvC behoort zich bezig te houden met het strategische niveau, met het grofontwerp. Het is een wettelijk adviesorgaan van de regering en het parlement op het terrein van kunst, cultuur en media. De raad is onafhankelijk en adviseert, gevraagd en ongevraagd, over actuele beleidskwesties en subsidieaanvragen.

Een basisinfrastructuur zou de nationale kaders moeten schetsen voor ons cultuurbeleid. Niet centraal beheersen en controleren Het zou een ontwerp van een grofstructuur moeten zijn gebaseerd op visie en kernwaarden van onze parlementaire democratie. Niet top-down beheersen, controleren, sturen en monitoren tot in de vezels van onze  Nederlandse cultuursector.

Commissie OCW
Waar is de parlementaire inbreng en controle? Waar blijven de woordvoerders?
Cultuur is weliswaar 1 van de 9 thema's van de commissie OCW klik maar dat betekent volgens mij niet dat ze het werk aan de RvC kunnen overlaten. Is dat jarenlang gebeurd?
De raad heeft naar mijn idee een al te ruimte taakopvatting en dat is ernstig. Zij lijkt de politieke verantwoordelijkheid over te nemen, zonder parlementaire controle.

Bedrijfsvoering
Het wordt tijd dat de raad zelf in de spiegel kijkt. Hoe zit het met de kwaliteit van de eigen organisatie en bedrijfsvoering? Het jaarverslag bijvoorbeeld is flinterdun en ontoereikend, ook het financiële deel is als verantwoording te mager.
Wat mij betreft ligt hier een taak voor de Algemene Rekenkamer.
Citaat:
De Algemene Rekenkamer onderzoekt of de rijksoverheid publiek geld zinnig, zuinig en zorgvuldig uitgeeft. Onze wettelijke taak is het controleren van de inkomsten en uitgaven van het Rijk en hierover rapporten wij één keer per jaar aan het parlement op Verantwoordingsdag. Dat is de derde woensdag in mei.